
|
Agents moeten beschikken over kennis en geloof van de wereld (en van zichzelf) en ook over wensen, verplichtingen en doelen. Met deze ingrediënten die hun 'mental state' beschrijven, moeten ze kunnen omgaan; ze moeten ze kunnen manipuleren. Een agent moet kunnen redeneren, plannen, handelen (acties uitvoeren), observeren; zijn kennis en geloof kunnen reviseren. Bovendien moet hij kunnen leren, zich kunnen committeren, zijn agenda kunnen bijhouden en, zeer belangrijk, als er meer agents in het spel zijn, kunnen communiceren en samenwerken.
|